panel 2

Historiek

Over de ontstaansgeschiedenis van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en het socio-economische belang ervan voor onze maatschappij.

Op zoek naar zekerheid

Eén van de essentiële behoeften van de mens is ongetwijfeld de zoektocht naar zekerheid. De mens leidt een vaak onzeker bestaan, afhankelijk van externe factoren. Zijn fysieke integriteit en overlevingsmiddelen worden voortdurend bedreigd door gevaarlijke situaties.
Een ongeval, ziekte, ouderdom of een andere oorzaak, kan leiden tot loonverlies. Om zich tegen dergelijke risico’s te verzekeren, heeft de mens doorheen zijn geschiedenis allerlei oplossingen gezocht; gaande van hulpverlening onder families, sparen, georganiseerde liefdadigheid tot principes van burgerlijke aansprakelijkheid en onderlinge bijstand of mutualiteit.

De eerste sociale verzekeringen

In de negentiende eeuw ontstond een uitgebreid netwerk van sociale verzekeringen. De Staat, die streefde naar sociale samenhang, wendde twee technieken aan om de sociale verzekeringen voor de arbeidersklasse, die slechts over een bescheiden inkomen beschikte, toegankelijk te maken. Een eerste techniek was via subsidiëring de aansluitingsdrempel verlagen. Als tweede, meer doeltreffende, techniek werd de verzekering verplicht gemaakt, zodat hele bevolkingscategorieën konden worden gedekt. Een dergelijke evolutie veronderstelde diepgaande structurele hervormingen. De verzekering werd in handen gegeven van de werkgevers en werknemers, die de bijdragen betalen, onder het toeziende oog van de overheid.
Met navolging in de andere Europese industrielanden, waaronder België, paste Bismarck in 1882 deze formule voor het eerst op nationale schaal toe in Duitsland in het domein van de arbeidsongevallen. Vrijblijvende sociale verzekeringen, aangemoedigd in een eerste fase, werden vervolgens verplicht. Deze ontwikkelden en verspreidden zich tot aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog.

Een globale bescherming

Na de grote crisis in de jaren dertig was er een nieuwe stap nodig om op twee bekommernissen een antwoord te geven. Enerzijds moesten de verworven rechten vereenvoudigd, geharmoniseerd en zelfs gecodificeerd worden. Anderzijds moesten bepaalde domeinen veralgemeend of verplicht gemaakt worden, in zoverre zij dit nog niet waren. Deze hervormingen leidden tijdens de Tweede Wereldoorlog tot een globale bescherming, onderworpen aan een uniform stelsel van bijdragen die voortaan door één enkel organisme, de RSZ, worden geïnd. In het geheim sloten vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers immers een "overeenkomst tot sociale solidariteit" waarbij onder meer de principes werden vastgelegd van een toekomstig stelsel van sociale zekerheid, gericht op de solidariteit tussen personen onderling.

Een wettelijke bescherming

Onmiddellijk na de Bevrijding werden deze principes vastgelegd in de “besluitwet betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders” van 28 december 1944, een algemeen kader van de sociale zekerheid van de werknemers. De besluitwet moest een aantal hervormingen verwezenlijken, in het bijzonder het invoeren van een verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering en van een verplicht stelsel van werklozensteun, alsook de verbetering van de reeds verplichte regelingen inzake ouderdoms- en overlevingspensioenen en kinderbijslagen.
Deze tekst was dus enkel bestemd voor de werknemers en niet voor zelfstandigen, en betrof vijf domeinen: de rust- en overlevingspensioenen, de ziekte- en invaliditeitsverzekering, de werkloosheid, de kinderbijslagen en de jaarlijkse vakantie.

De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid

De reeds bestaande instellingen, opgericht hetzij op initiatief van de werkgevers, hetzij op initiatief van de werknemers, werden betrokken bij de werking van het nieuwe geheel. De werkloosheidskassen, ziekenfondsen, kinderbijslagfondsen en jaarlijkse vakantiekassen bleven bevoegd voor de uitkering van sociale voordelen aan de rechthebbenden, maar werden ontlast van de taak om verschuldigde bijdragen te innen. Deze taak werd toevertrouwd aan de nieuwe instelling “de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid”. Deze op vereenvoudiging gerichte centralisatie is op technisch en administratief vlak één van de sterke punten van de hervorming van 1944-1945.

De evolutie van het stelsel

Vanaf 1974 is het stelsel sterk geëvolueerd onder invloed van de economische context. Deze ontwikkeling stoelde voornamelijk op de toegekende sociale uitkeringen. De financieringsprincipes bleven opmerkelijk stabiel.
Vanaf de jaren negentig werden diepgaande veranderingen vastgesteld in het beheer van het sociale zekerheidssysteem, namelijk de oprichting van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, de uitbouw van een geïnformatiseerd en geïntegreerd netwerk van gegevensuitwisseling, de informatisering van de aangifte bij de RSZ, de instelling van het globaal financieel beheer van de sociale zekerheid, de voorbereiding van het responsabiliseringsproces van alle openbare instellingen van sociale zekerheid en het op stapel zetten van de multifunctionele aangifte.
Vanaf het begin van de 21e eeuw werd resoluut de weg ingeslagen van het e-government van de sociale zekerheid. Het onmiddellijk elektronisch melden van het begin en einde van iedere arbeidsverhouding tussen een werkgever en zijn werknemers (DIMONA), en het vervangen van de klassieke RSZ-aangifte door een elektronische multifunctionele aangifte (DmfA), zijn twee belangrijke stappen in een proces dat nog steeds verder in ontwikkeling is.
Al deze elementen zijn tegelijk signalen van een gemeenschappelijke wil, gericht op het behoud van een efficiënt stelsel van sociale zekerheid. Hierbij speelde en speelt de Rijksdienst een beduidende rol en nam en neemt hij een centrale plaats in, nu en in de toekomst, ten dienste van allen.

^ Back to Top