panel 2

FAQs

Veel gestelde vragen over de statistieken van de RSZ.

Laatste update: 24 Mei 2011

Hoe bekom je correcte gegevens naar ondernemingsgrootte?

Bij het opmaken van de tewerkstellingsstatistieken gebruikt de RSZ verschillende invalshoeken, waarbij deze van de onderneming (de werkgever) een van de kerninvalshoeken is. De verdeling van de ondernemingen en de werknemers (of nauwkeuriger: de arbeidsplaatsen) over de activiteitstakken gebeurt op basis van de voornaamste activiteit van de onderneming. Het geografisch criterium is gebaseerd op de hoofdzetel van de onderneming (heeft de voorkeur op de sociale zetel, die soms niet meer is dan een postbus). De verdeling naar ondernemingsgrootte (dimensieklasse) gebeurt op basis van het totale aantal arbeidsplaatsen op het einde van het trimester. Op die manier is het mogelijk om de ondernemingen te verdelen naar hun hoofdactiviteit, hun grootte en de plaats van hun hoofdzetel. Dit is dus de goede invalshoek om de impact van kleine en middelgrote ondernemingen te bestuderen, mits de volgende randbemerking niet uit het ook verloren wordt: wanneer ondernemingen met meerdere vestigingen op deze wijze geografisch verdeeld worden, leidt dit vanzelfsprekend tot een overrepresentatie van tewerkstelling in de Brusselse regio omdat de hoofdzetel van vele grote ondernemingen met meerdere vestigingen hier gevestigd is.

Bij de onlinestatistieken kan u een aantal basisgegevens over de kleine en middelgrote ondernemingen raadplegen.

Een andere invalshoek die de RSZ gebruikt is een regionale of lokale. Het basisidee is om de werknemers (de arbeidsplaatsen) te verdelen over hun effectieve plaats van tewerkstelling (of de vestiging van waaruit ze gewoonlijk vertrekken om hun activiteit uit te voeren). Dit leidt er toe dat we de benaming “gedecentraliseerde statistiek” of “geregionaliseerde statistiek” gebruiken. Hiervoor moeten de werknemers door de werkgever op de kwartaalaangifte verdeeld worden volgens het identificatienummer van de vestiging (in de wetteksten wordt de term “vestigingseenheid” gebruikt). Om in deze statistiek de activiteitstak te kunnen introduceren wordt de hoofdactiviteit van deze vestigingseenheid in overweging genomen (en die kan afwijken van de hoofdactiviteit van de onderneming). Dezelfde redenering wordt gevolgd voor de dimensieklasse. Een concreet voorbeeld: de verschillende vestigingen van een grootbank (wanneer het niet om onafhankelijke bankagentschappen gaat, die aparte onderneming zijn) krijgen hun eigen dimensieklasse toebedeelt alsof het onafhankelijke ondernemingen zijn. De consequentie hiervan is dat de vestigingseenheid, en de statistiek hierop gebaseerd, in geen geval kan dienen om evoluties van ondernemingen, en in het bijzonder kleine en middelgrote ondernemingen, te bestuderen.

Worden de tewerkgestelde werknemers in functie van de duur van hun overeenkomst bij de RSZ onderverdeeld?

De RSZ kan op hierop niet antwoorden. De wetgeving die bij de Rijksdienst toegepast wordt, maakt geen onderscheid tussen een overeenkomst van onbepaalde duur, een overeenkomst van bepaalde duur of een overeenkomst voor de uitvoering van een welomschreven werk.

De resultaten van de enquête naar de arbeidskrachten uitgevoerd door de Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie (ADSEI, het vroegere NIS) bevatten inlichtingen hierover.

Hoe maakt de RSZ in zijn statistieken een onderscheid tussen de privésector en de overheidssector?

In vele gevallen is het onderscheid tussen privésector en overheidssector niet vatbaar voor interpretatie: een bakkerij behoort tot de privésector, terwijl het Ministerie van Landsverdediging deel uitmaakt van de overheidssector. In bepaalde gevallen is deze opdeling echter minder voor de hand liggend en hangt ze af van het standpunt dat wordt ingenomen. Bovendien leiden de enkele criteria die zouden kunnen worden gehanteerd niet altijd tot dezelfde resultaten.

Daarom heeft de RSZ zijn eigen keuzes afgebakend, waarbij de volgende entiteiten bij de overheidssector werden ondergebracht:

  1. de openbare federale, gewestelijke, provinciale en lokale diensten;
  2. de instellingen van openbaar nut en de openbare instellingen die onder de voormelde overheden ressorteren;
  3. in het bijzonder, de autonome overheidsbedrijven en de publiekrechtelijke naamloze vennootschappen;
  4. de buitenlandse diplomatieke vertegenwoordigingen en de vertegenwoordigingen van buitenlandse overheidsdiensten (zoals de Gewesten) die op het Belgisch grondgebied gevestigd zijn: er wordt aan herinnerd dat enkel de personen die gedekt zijn door een diplomatiek statuut niet aan de Belgische sociale zekerheid zijn onderworpen;
  5. de onderwijssector: het zou absurd zijn om personen met een ambtenarenstatuut onder te brengen in de privésector; het zou ook absurd zijn om een deel van de werknemers van een gesubsidieerde inrichting voor privéonderwijs (de leerkrachten met een ambtenarenstatuut) bij de overheidssector te rekenen, terwijl de overige personeelsleden (hulp- en onderhoudspersoneel) in de privésector worden ondergebracht. Vanaf 2003 worden de privé-scholen die op geen enkele manier afhangen van een van de drie Gemeenschappen (autorijscholen, ...) in de privé-sector ondergebracht (zie ook hieronder);
  6. een groep werknemers die over een bijzonder statuut beschikken (derde arbeidscircuit, 'Prime'-programma's): het gaat om werknemers van wie de werkgever ten opzichte van de RSZ een gewestelijke arbeidsbemiddelingsdienst is, maar die over het algemeen tewerkgesteld zijn in kleinschalige instellingen die zonder winstoogmerk werken (deze statuten zijn in 2008 bijzonder klein geworden).

Anderzijds worden volgende entiteiten bij de privésector gerekend:

  1. de openbare uitzendbureaus, uitsluitend wat de uitzendkrachten aangaat: deze werknemers worden meestal ter beschikking gesteld van ondernemingen-gebruikers van de privésector;
  2. de privaatrechtelijke naamloze vennootschappen waarvan het kapitaal meestal in handen is van de overheid (de juiste verdeling van het kapitaal is immers vaak onbekend; bovendien onderscheiden deze vennootschappen zich geenszins van de naamloze vennootschappen waarvan het kapitaal volledig privé is, in tegenstelling tot de publiekrechtelijke naamloze vennootschappen);
  3. de verenigingen zonder winstoogmerk die opgericht zijn door de (vaak lokale) overheid: op het ogenblik dat deze verenigingen zich aansluiten bij de RSZ is het onmogelijk om hun parapubliek karakter vast te leggen;
  4. de privévennootschappen en -instellingen die een gedeeltelijke opdracht van openbare dienstverlening vervullen: in België is dat bijvoorbeeld het geval voor de vakbonden en de ziekenfondsen die respectievelijk belast zijn met de uitbetaling van werkloosheidsuitkeringen en de wettelijke terugbetalingen van kosten voor geneeskundige verzorging en ziekte-uitkeringen;
  5. de kerkfabrieken die volgens het concordaat van 1870 openbare instellingen zijn;
  6. sinds 2003, bepaalde werkgevers in de onderwijssector die vormingen verstrekken met een privékarakter, zoals autorijscholen.

Publiceert de RSZ statistieken waarbij de werknemers volgens hun opleidingsniveau worden verdeeld ?

Neen. Dergelijke statistieken bestaan niet bij de RSZ. Momenteel is er geen exhaustieve administratieve data base waarin het opleidingsniveau van de bevolking is opgenomen.

Drie bronnen kunnen informatie leveren in dit verband:

  • de algemene socio-economische enquête bevat informatie op het niveau van de opleiding van de bevolking;
  • de enquête over de arbeidskrachten ;
  • de sociale balans, die sommige bedrijven moeten bijvoegen bij de jaarrekeningen die ze moeten neerleggen bij de Balanscentrale van de Nationale Bank van België , bevat eveneens dergelijke informatie op het niveau van de bedrijven.

Is de RSZ in het bezit van statistieken aangaande kaderpersoneel?

Neen: aangezien er voor het kaderpersoneel geen enkele bijzondere bepaling inzake sociale zekerheid van toepassing is (of het nu om bijdragen of om rechten gaat), bestaat er bij de RSZ niet de behoefte ze te onderscheiden. De meeste kaderleden worden ondergebracht in de rubriek bestemd voor de hoofdarbeiders en/of de bedienden (in bepaalde zeer uitzonderlijke gevallen treft men kaderpersoneel aan met een statuut van handarbeider en/of arbeider).

Is de RSZ in het bezit van statistieken betreffende de zelfstandigen?

Neen. De RSZ is slechts bevoegd voor de bezoldigde werknemers. Statistische informatie betreffende de zelfstandigen kan worden bekomen bij het RSVZ (Jan Jacobsplein 6, 1000 Brussel, Tel: +32 (0)2 507 62 11, e-mail: info@rsvz-inasti.fgov.be ).

Beschikt de RSZ over statistieken betreffende de actieve bevolking?

De RSZ is enkel bevoegd voor bezoldigde werknemers en werknemers die hiermee gelijkgesteld zijn. Er wordt aan herinnerd dat een deel van de bezoldigde en gelijkgestelde werknemers, namelijk zij die voor lokale overheden werken (provincies, gemeenten, intercommunales, openbare centra voor maatschappelijk welzijn), onder de bevoegdheid van de RSZPPO valt.

Het begrip 'actieve bevolking' beslaat een veel ruimer gebied dan dat van de bezoldigde werknemers. Het wordt wel gehanteerd door de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg en de Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie (ADSEI, het vroegere NIS).

De Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg maakt jaarlijks een statistiek van de actieve bevolking op en baseert zich daarbij voornamelijk op de gegevens afkomstig uit administratieve bestanden (RSZ, RSZPPO, RIZIV, RSVZ, RVA).

In toepassing van de Europese richtlijnen realiseert de Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie (ADSEI, het vroegere NIS) voortdurend een "enquête over de arbeidskrachten".

Ten slotte is de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid (KSZ) die in haar Datawarehouse Arbeidsmarkt en sociale bescherming verschillende databanken van de instellingen van sociale zekerheid verenigt en hierover een uitgebreid gamma aan statistische gegevens kan leveren.

Publiceert de RSZ statistieken in functie van de paritaire comités?

De brochures vanaf 2008 (evenals de brochures 2007 met de nieuwe NACE-2008-activiteitenindeling) bevatten tabellen met het paritair comité als criterium.
De paritaire comités zijn hierbij gehergroepeerd volgens een aantal sectorgroepen, gebaseerd op een socio-economische logica. Voor deze indeling werd samengewerkt met externe gebruikers, zodat ze zoveel mogelijk aansluit bij de noden van de externe gebruiker.

Daarnaast worden ook op de website zelf, in het gedeelte onlinestatistieken , een aantal tabellen gepresenteerd die toelaten om gegevens te bekomen tot op het niveau van het paritair comité zelf.

Er kunnen op eenvoudige aanvraag via het contactformulier andere statistische gegevens, ingedeeld naar paritair comité, bekomen worden voor zover deze beschikbaar zijn (vanaf 2003).

Wat is eigenlijk het statistisch arbeidsvolume (VTE)?

De bepaling van het arbeidsvolume zoals dit gebruikt wordt in de statistische brochures van de RSZ, gebeurt op basis van alle aangegeven bezoldigde arbeidsprestaties over de ganse periode van tewerkstelling (1) met uitsluiting van de zuiver fictieve prestaties (vergoede bezoldigde dagen toegekend bij bepaalde vormen van verbreking van de arbeidsovereenkomst).
Er wordt geen rekening gehouden met de periodes die voor de toekenning van bepaalde sociale rechten worden gelijkgesteld met arbeidsperiodes en die vaak aanleiding geven tot een vervangingsinkomen (deze worden “gelijkgestelde periodes” genoemd).

Om een zekere uniformiteit te bewaren worden de vakantiedagen van de arbeiders ook in rekening gebracht (voor de bedienden zijn deze dagen al opgenomen als bezoldigde dagen).
De arbeidsprestaties van een werknemer die in de loop van het kwartaal tewerkgesteld is geweest bij meerdere werkgevers en/of onder verschillende hoedanigheden of in verschillende arbeidsregimes, zijn dus alle opgenomen, en dit volgens de kenmerken van de verschillende prestaties.

Prestaties van minder dan één voltijdsequivalent kunnen hun oorsprong vinden in:

  • een kortere periode van tewerkstelling (geen volledig trimester tewerkgesteld);
  • deeltijdse prestaties (wekelijkse arbeidsduur lager dan die van de referentiepersoon);
  • periodes van afwezigheid niet gedekt door een loon (bijv. gelijkgestelde dagen).

De berekening van het arbeidsvolume in termen van voltijdsequivalenten (VTE), bestaat dus uit het product van 2 factoren:

  1. enerzijds de verhouding van de werkelijke arbeidsprestaties (bezoldigde en vakantieperiodes) van de werknemer ten opzichte van het totale aantal mogelijke arbeidsprestaties;
  2. anderzijds (voor de deeltijds tewerkgestelden) de verhouding van het gemiddelde aantal arbeidsuren per dag van de werknemer ten opzichte van deze van de referentiepersoon (2).

Deze definitie van voltijdsequivalenten is niet gebaseerd op de in de arbeidsovereenkomst voorziene arbeidsduur, maar op de aangegeven prestaties. Dit geeft beter het werkelijk gepresteerde arbeidsvolume weer, maar dit wordt vaak toch enigszins getemperd. Het overwerk in piekperiodes dat wordt gecompenseerd door inhaalrust in kalmere periodes waarbij deze op dat moment als bezoldigde dagen worden aangegeven is immers niet zichtbaar in de aangifte (van het kwartaal dat het ook echt gepresteerd is, het is opgenomen in het kwartaal dat de inhaalrust wordt opgenomen) en dus ook niet in het arbeidsvolume in VTE. Het overwerk dat wel op het moment zelf wordt bezoldigd (en dat voor voltijdse werknemers wordt uitgedrukt in dagen of voor deeltijdse werknemers in uren), is wel aanwezig in het arbeidsvolume in VTE (3).

Ook is de notie bezoldigde dagen en uren ruimer dan de werkelijk gepresteerde arbeidstijd. Ze omvat de volgende arbeidstijdgegevens(4):

  • alle arbeidstijdgegevens gedekt door loon met RSZ-bijdragen, met uitzondering van de wettelijke en bijkomende vakantie van arbeiders;
  • de dagen bijkomende vakantie voor arbeiders;
  • de dagen betaald educatief verlof.

Dus o.a. ook de wettelijke feestdagen evenals de vakantiedagen van de bedienden en ambtenaren zijn inbegrepen.

Naast deze drie arbeidstijdgegevens is er het speciale geval van de eerste dag afwezigheid wegens slecht weer in het bouwbedrijf (met onvolledig loon). Omwille van dit onvolledige loon is de beslissing genomen om deze aangegeven periodes voor de helft mee te tellen bij de bezoldigde periodes en voor de helft bij de gelijkgestelde periodes. Verder worden afhankelijk van de hoedanigheid van de werknemer een aantal dagen van afwezigheid in het ene geval door de werkgever doorbetaald (en dus als bezoldigde periode beschouwd) en in het andere geval gedekt door een vervangingsinkomen (en dus als gelijkgestelde periode beschouwd). Dit kan tot een zekere vertekening leiden bij vergelijking tussen de verschillende groepen werknemers (vooral bij ambtenaren).

(1) In theorie kan de term “periode” op elke tijdsperiode betrekking hebben. De RSZ hanteert het kwartaal als eenheid voor het uitdrukken van het arbeid svolume.
(2) De arbeidsduur van de referentiepersoon hangt af van wat de werkgever hiervoor op zijn kwartaalaangifte vermeldt. De meest voorkomende is 38u/week, 65 werkdagen in een kwartaal, maar kan eventueel per kwartaal variëren.
(3) Overwerk voor voltijdse tewerkstellingen is enkel, en in zekere mate, te meten wanneer er bijkomende dagen aangegeven worden, en bijvoorbeeld niet wanneer er overuren zijn (zonder compensatie) tijdens gewone arbeidsdagen.
(4) Onderrichtingen aan de werkgever – deel 6/titel 1: Richtlijnen om de aangifte in te vullen – hoofdstuk 5: De aangifte van de prestatiegegevens – punt 6.1.511: Gewone codes.

Hoe wordt tijdskrediet in de statistieken van de RSZ opgenomen?

De werknemers in deeltijds tijdskrediet of gedeeltelijke loopbaanonderbreking worden in de RSZ-statistieken beschouwd als deeltijdse werknemers. De berekening van het percentage deeltijds gebeurt op basis van de voorziene tewerkstelling in het kader van hun verminderde prestaties.

Iemand die in het kader van een tijdskrediet 4/5 werkt, zal een percentage deeltijds van 80% hebben. Dit geldt ook wanneer de werknemer gebruik maakt van de crisismaatregel 'tijdelijke vermindering van de arbeidsprestaties om het hoofd te bieden aan de crisis' (het zogenaamde crisistijdskrediet).

Een werknemer in volledige loopbaanonderbreking/tijdskrediet wordt voor de telling van het aantal werknemers beschouwd als iemand die niet in dienst is. Voor de telling van het aantal voltijdsequivalenten tellen de arbeidsprestaties: deze zullen voor deze werknemers gelijk zijn aan 0.

Twee voorbeelden maken dit wat concreter:

  • Voorbeeld 1: een werknemer is voltijds van 01 januari tot 28 februari 2010, en gaat daarna in voltijdse loopbaanonderbreking vanaf 1 maart tot 1 september 2010.
    - aantal werknemers op 31 maart 2010: 0
    - aantal vte: 2/3 (de voltijdse tewerkstelling van de eerste 2 maanden) met type prestatie voltijds.
  • Voorbeeld 2: een werknemer is in voltijdse loopbaanonderbreking van 1 augustus 2009 tot 31 januari 2010 en werkt daarna voltijds vanaf 01 februari 2010.
    - aantal werknemers op 31 maart 2010: 1 met type prestatie voltijds.
    - aantal vte: 2/3 (de voltijdse tewerkstelling van de laatste 2 maanden) met type prestatie voltijds.

De RSZ publiceert als zodanig geen aparte cijfers met betrekking tot loopbaanonderbreking of tijdskrediet. Het gegeven is namelijk indicatief in de RSZ-aangifte (met risico op fouten). Gegevens zijn echter wel beschikbaar in het kader van het Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming . Hier wordt het gegeven tijdskrediet/loopbaanonderbreking afgebakend op basis van de RVA-gegevens (die als authentieke bron wordt beschouwd).

Kan ik meer gedetailleerde snelle ramingen bekomen?

De meer gedetailleerde gegevens verschijnen in de brochures Loontrekkende Tewerkstelling en kunnen verder opgevraagd worden via de normale procedures (zie Overzicht). Het betreft dan echter wel de gegevens zoals die geregistreerd werden ongeveer 5 maanden na het verstrijken van het kwartaal (tegenover 2,5 maanden voor het meest recent beschikbare kwartaal in de snelle ramingen).

Op het ogenblik dat de snelle ramingen van de tewerkstelling worden opgesteld, kunnen immers voor een belangrijk aantal werkgevers de aangiften nog ontbreken. Op basis van gegevens van voorgaande kwartalen in de databank en op basis van gegevens in andere databanken worden de ontbrekende gegevens bij grote en middelgrote werkgevers gedetecteerd en bijgeraamd. Deze methode laat toe om grote hiaten in de gegevens te vermijden, maar niet om bij te ramen voor kleine of nieuwe werkgevers. Daarom worden, na het opmaken van de geaggregeerde statistieken, de cijfers op het niveau van de grote aggregaten nog globaal opgehoogd.

Deze correcties zorgen ervoor dat de aldus bekomen resultaten op een globaal niveau een grote mate van betrouwbaarheid hebben (+/- 0,2% wat overeenkomt met ongeveer 6.000 arbeidsplaatsen). Deze globale correcties kunnen echter niet worden uitgesplitst tot een lager detailniveau. We kunnen dan ook op het ogenblik van de snelle ramingen geen statistieken opstellen op detailniveau met een voldoende betrouwbaarheid.

^ Back to Top